Richard van der Vis
Garnalenvisser
Op zijn negentiende werd hij de jongste schipper van de Texelse vloot. En hoewel hij sindsdien veel tegenslagen heeft gekend en menig collega de afgelopen jaren is gestopt, besloot garnalenvisser Richard van der Vis (44) onlangs toch weer een andere kotter aan te schaffen. ‘De zee trekt.’
Als je in Oosterend woont, Van der Vis heet en in de familie zeven generaties vissermannen je voorgingen, heb je misschien weinig te kiezen, geeft hij grijnzend toe. Ook zijn grootvader speelde een belangrijke rol. ‘Ik was nog maar een ventje toen ik op m’n fietsie naar opa toeging. Hij was gestopt met vissen en zat elke dag in zijn schuur te rommelen. Bij mooi weer – en als oma het goed vond – gingen we met een stalen vlet het wad op. Opa viste met een netje met scheerbordjes, zoals hij dat vroeger deed. Dat net hing achter het bootje en haalde hij met handkracht binnen. We vingen vooral botjes, scharretjes en andere kleine visjes. Postzegeltjes, zeiden wij. Het was hobby, maar ik vond het prachtig.’
Wat ze deden was stropen en dus verboden, maar misschien daarom ook zo leuk. ‘Het was oppassen om niet te worden betrapt. Soms waren er controleschepen in de omgeving en moesten we snel naar de dijk om het vistuig te verstoppen. Dat haalde opa dan later weer op.’
Aris van Pieter en Pieter van Aris
Richard zijn opa heette Aris, zijn vader is Pieter. ‘In onze familie wordt de oudste zoon van Aris vernoemd naar zijn opa Pieter en de oudste zoon van Pieter naar zijn opa Aris. Het gaat om en om. Mijn broer heet Aris, ik ben de tweede zoon. Aris en ik hebben vier jaar samen gevaren. Maar hij was meer geïnteresseerd in techniek en werkt nu bij het NIOZ.’
Al heel vroeg wist Richard dat hij in de voetsporen van zijn voorvaderen zou treden. ‘Vaak wordt de oudste zoon schipper, de volgende wordt machinist of gaat aan dek werken. Maar bij ons was het een uitgemaakte zaak: ik zou – op den duur – in de brug, mijn broer werd machinist. Het was de tijd dat de kotters in het weekend vier rijen dik voor de kant lagen. Als je vanuit Oudeschild de dijk over ging, zag je een woud aan masten voor je.’
Na de visserijschool en een paar stages besloot Richard al snel thuis aan de slag te gaan. ‘Begin deze eeuw ging de Noordzeevisserij gebukt onder dure gasolie, lage vangstquota en weinig mogelijkheden tot het bijhuren van extra quota. De verdiensten waren mager. Veel opvarenden zochten hun heil daarom in andere sectoren, zoals de bagger. Mijn vader voer al niet meer zelf, toch hadden mijn ouders in 1997 nog een vrij nieuw schip gekocht. Om mij en mijn broer een mooie basis te geven om verder te gaan. Maar het vertrek van bemanningsleden ging helaas ook aan ons niet voorbij. Al op mijn negentiende werd ik daardoor noodgedwongen schipper, de jongste van de Texelse vloot.’
Schipper tegen wil en dank
Tegen wil en dank, zegt hij erbij. ‘Ik was een snotneus en had de kunst graag eerst bij een ander willen afkijken. Als schipper stond ik er op zee grotendeels alleen voor. Mijn broer had veel verstand van techniek en was onmisbaar aan boord, maar had minder met het vissen zelf. Met de oude bemanning was ook veel kennis verdwenen. Nieuw personeel en een onervaren schipper in de brug, dat had duidelijk z’n weerslag op de besomming (de opbrengst per tocht; red.). Dat ik pas negentien jaar was en de verantwoording over een schip met bemanning had, moet mijn ouders ook wel eens kopzorgen hebben bezorgd. Maar een andere keuze was er niet.’
Met vallen en opstaan leerde Richard het vak. ‘Ik heb fouten gemaakt, maar ook geleerd de schouders eronder te zetten. We waren met een groep jonge jongens en één meid, allemaal bloedfanatiek. We gingen ervoor. Ik heb toen heel erg het samen-gevoel gehad. Het begon steeds beter te lopen en na verloop van tijd konden we ons steeds beter meten met de buren.’
Een kapotte hoofdmotor in 2002 betekende een gigantische kostenpost, terwijl de reserves waren opgedroogd. Drie jaar later zag de familie Van der Vis zich genoodzaakt de kotter voor een saneringsregeling aan te bieden. ‘Op last van de bank, die ons niet meer steunde. We hadden de schaar inmiddels in het laken, maar de bank zag dat in de cijfers onvoldoende terug. Toen onze Noordzeekotter voor de kant ging, voelde dat als het einde van een tijdperk. En als falen. Generaties lang hebben we ons brood verdiend in de visserij. Die zit in onze genen.’
Dat niet iedereen z’n vertrouwen in hem had verloren, bewees de familie Krijnen, die hem als invalschipper voor de TX19 vroeg. Een opluchting, geeft hij toe. ‘Je vraagt niet zomaar zo’n jonge kerel voor dat werk.’
Voor zichzelf
In 2008 kocht de familie Van der Vis de eerste garnalenkotter. ‘Mijn vader was er wel een beetje klaar mee. We voelden ons enorm in de steek gelaten door de bank en een doorstart met een Noordzeekotter was uitgesloten. Maar in de kustvisserij ging het wel voorspoedig. Vooral de garnalenvisserij was op dat moment lucratief. Toch heb ik heel wat moeten praten om mijn vader ervan te overtuigen zo een doorstart te maken.’
Een verschil van dag en nacht met wat hij gewend was. ‘Neem alleen al het vangstgebied. Een Noordzeekotter vist buiten de twaalfmijlszone en heeft daardoor altijd ruim water onder het schip. Een garnalenkotter vist vooral dicht onder de kust. Ik moest opnieuw alles leren. Op een grote kotter ben je met een hele ploeg, op garnalen vissen doe je met z’n tweeën. Bovendien mogen wij in het weekend niet vissen. Wij kennen geen quota, onze visserij wordt gereguleerd in vistijd, in plaats van in kilo’s.’
Richard kan prachtig vertellen over zijn vak en over de beste omstandigheden om te vissen. Een garnaal is een nachtdier, legt hij uit. ‘Overdag graaft hij zich in, ’s nachts gaat hij foerageren, zo leerden wij op school. Vreten, zeggen wij. In bruin water met veel slib, zoals de Waddenzee, denkt een garnaal dat het nacht is. Daardoor kunnen wij, als de omstandigheden er naar zijn, dag en nacht vissen.’
In de wintermaanden is het Nederlandse deel van de Noordzee te koud om in te vissen. Maar in de Duitse Bocht – ‘de Sylt, zeggen wij’ –, waar het vlak voor de kust een stuk dieper is en de zee minder snel afkoelt, zitten dan nog wel garnalen. Een goede reden om dan vanuit het noorden van Duitsland te vissen. ‘In principe is mijn thuishaven Oudeschild. Maar we vissen waar de garnalen zijn. Dat kan bij Duitsland, Vlissingen of de Belgische kust zijn.’
Marine Stewardship Council
Richard draagt het keurmerk van het Marine Stewardship Council (MSC), een internationaal bewijs voor duurzaam gevangen vis, schaal- en schelpdieren. Hij onderschrijft de doelstelling, maar heeft wel eens moeite met de bijbehorende maatregelen. ‘Bij schaarste wordt snel ingegrepen. Prima, dat is uiteindelijk ook in het belang van de vissers. Maar zodra er een overvloed aan garnalen is, mag er niet regulerend opgetreden worden. Terwijl dat juist zo belangrijk zou zijn. Niet méér vangen dan er vraag is. Zo hou je een stabiele prijs en belanden garnalen niet onnodig in de vriezer. Maar vistijd inperken mag dan weer niet van de Autoriteit Consument en Markt, omdat het prijsopdrijvend zou zijn. Ook om ecologische redenen zou het juist ideaal zijn als er dan óók wordt ingegrepen.’
Ook de prijzen die hij voor zijn product krijgt, maken het moeilijk. ‘Supermarkten willen dat wij ons houden aan de voorwaarden van het MSC-keurmerk. Maar de meeste consumenten letten daar niet op en kopen de goedkoopste vis. Iedereen wil lekker eten, maar niet te veel betalen. Sowieso wordt er weinig vis gegeten in Nederland. En eet een Nederlander vis, dan is het is het meestal kibbeling. Vanwege het papje eromheen, niet vanwege de vis.’
Niet elke garnalenvisser conformeert zich aan het MSC. ‘Ik ben bestuurslid van de Producenten Organisatie Noordelijke Visserij Alliantie, een fusieorganisatie van samenwerkende vissers van Texel, Wieringen en Den Helder. We vissen om ecologische redenen volgens de MSC-normen, maar ook omdat we hoopten snel in aanmerking te komen voor een nieuwe vergunning. Er zijn ook garnalenvissers die dat niet deden. Elk jaar is er één en we zien wel wat er daarna gebeurt, redeneerden zij. Dat is niet verder kijken dan je neus lang is. Maar als wij volgens de spelregels van het MSC op woensdag de haven moeten binnenlopen, vissen zij gewoon de hele week door. Terwijl je als visser weet: hoe langer je vist, hoe meer je verdient. Ik heb wel eens gedacht: waar ben ik in godsnaam mee bezig? Gelukkig hebben we vorig jaar weer vergunning gekregen om nog eens twintig jaar door te vissen. Al zitten er in die twintig jaar nog wel drie evaluatiemomenten. Het blijft spannend.’
Eén medewerker
Richard heeft één medewerker: de 31-jarige Jordy Vermeulen. ‘Jordy doet het hartstikke goed. We doen het samen. En als ik een week thuis wil zijn, vaart Jordy met een opstapper. Dat doet hij prima, ik heb er geen omkijken naar. Dan ben ik trouwens gewoon thuis aan het werk.’ Lachend: ‘Nou ja, aan het werk. Van mijn vrouw mag ik het niet zeggen, maar een beetje rommelen in de schuur is voor mij geen werken. Dat is gewoon ontspanning.’
‘Garnalenvissen is schipperen, met veel ups en nog meer downs’, constateert Richard. Toch schafte hij deze winter voor de vierde keer in vijfentwintig jaar een ander schip aan. Helemaal vrijwillig was dat niet, want hoewel het ‘pas’ tweeëntwintig jaar oude schip nog in prima staat leek, bleek na lang zoeken dat veel staal door lekkage was doorgeroest. ‘Eigenlijk moest het hele visruim worden vernieuwd. De vraag was: moet ik het laten repareren? Of het schip aanmelden voor sanering, zoals veel collega’s deden?’
Het werd de derde en meest onverwachte optie. ‘In die tijd kwam de TX34 van Johan Daalder te koop. Ik heb contact met hem gezocht en gezegd: Jij wilt stoppen, ik wil door. Wat kunnen we doen zodat we bij mekaar uitkomen? Na een retourtje Cuxhaven, waar de TX34 toen lag, zijn we er op de terugweg uitgekomen. En zo heb ik voor een kleinere investering dan opknappen had gekost een iets groter schip. Even oud, maar omdat de achterkant dicht is, hebben we veel meer leefruimte. Bovendien weten we inmiddels dat het schip een fijn zeegedrag heeft’.
TX21 en TX22
Al decennia lang hebben de schepen van Richards familie hetzelfde nummer: TX21. Door allerlei regeltjes kon dat echter niet. Allerlei nummers uit het verleden van het familiebedrijf passeerden de revue. ‘Op een gegeven moment zeiden we: Na 21 komt 22, en zo is het nummer ontstaan. We hebben het schip naar onze dochter Rosalina vernoemd. Dat had ik al in 2016 willen doen, bij de aanschaf van ons derde schip. Maar mijn vader, destijds nog in het bedrijf, zei toen: Dat doe je maar als ik er niet meer ben. Zolang ik er nog ben, blijft het Pieter van Aris, zoals dat al sinds 1954 het geval is. Ik vond het spannend hoe mijn vader nu zou reageren. Maar hij vond het mooi dat zijn kleindochter werd vernoemd.’
Inmiddels is Richard al vijfentwintig jaar eigen baas en hoewel hij pas vierenveertig is, denkt hij wel eens na over zijn toekomst. Maar niet te lang, want als visserman heeft hij een prachtig leven. ‘Wanneer je de haven uitvaart, weet je niet wat de week je brengt. Sterker, je weet niet eens waar je de volgende dag huist. De zee trekt. Het is het mooiste kantoor dat je je maar kunt wensen. Ik heb een tas met papieren en zou zo kunnen overstappen naar bijvoorbeeld de sleepvaart. Maar de visserij trekt het meest. Vissen is een soort jagen. Als je een goede vangst hebt, wil je die de volgende keer weer. Het is een verslaving. Maar vissen voor een baas? Bij de gedachten alleen al gaan de haren op mijn rug recht overeind staan. Zolang het ons gegeven is, blijf ik voor mezelf varen.’





