Dirk en Mariët Roeper
Natuurboerderij Plassendaal
Geen strak productiebedrijf, maar een boerderij waar de natuur leidend is. Dirk en Mariët Roeper bewijzen in Waalenburg dat natuurbeheer, zorg en ondernemerschap prima samengaan. Over pionieren tussen orchideeën, Limousin-koeien en waarom boeren niet tegenover elkaar hoeven te staan.
We tellen 85 Limousin-koeien, 140 hectare natuurbeheer en een beestenboel met ezels, paarden, kippen, schapen en honden. Er staat een team van elf collega’s met stagiairs én er worden twee vakantiewoningen en een vergaderzaal in de potstal verhuurd. Natuurboerderij Plassendaal is een dynamisch bedrijf, al gaat het hier honderdtachtig graden anders dan op een reguliere boerderij. Ondanks de vele cijfers draait het hier niet om productie, maar staat de natuur op één. We hebben de fiets gepakt naar onze afspraak, zodat we onderweg alvast een indruk krijgen van het bijzondere gebied.
De tongen los
Wie even in zijn geheugen graaft, herinnert zich dat de herinrichting van deze waddenpolder, begin 2000, de gemoederen flink bezighield. Het plan om landbouwgrond om te turnen naar natuur, waarbij het waterpeil zou stijgen en boeren moesten worden uitgekocht, maakte de tongen los. Veel woede en verontwaardiging bij de tegenstanders: ‘Belachelijk, we gaan toch geen goede grond opofferen?’ Luid gejuich en optimisme bij de liefhebbers: ‘Eindelijk een stap richting meer biodiversiteit’. Het zou overigens nog jaren duren voordat een schop de grond inging voor de aanleg van het nieuwe natuurgebied van vijfhonderd hectare. Hoewel, … nieuw? Natuurmonumenten en provincie Noord-Holland wilden terug naar de oorspronkelijke situatie van vóór 1953. Waalenburg was toen voornamelijk een zilte polder, met ruimte voor inheemse planten- en bloemensoorten. Tijdens de zomer brachten boeren vanaf De Hoge Berg hun jongvee en schapen naar deze gronden om te grazen. Natuur en landbouw gaan al eeuwen hand in hand.
Geen gelopen race
Dirk en zijn vrouw Mariët zijn pioniers als het gaat om natuurgericht boeren. Zo’n dertig jaar geleden nam Dirk – als gedoodverfde opvolger – het stokje over van vader Hans Roeper. ‘Op voorwaarde dat ik het anders zou gaan doen’, zegt hij stellig. ‘Ik wilde absoluut geen traditionele melkveehouderij, waarbij alles draait om de productie. Natuurbeheer ligt veel dichter bij mij en de manier waarop ik met deze omgeving wil omgaan.’ De keuze van Dirk bracht het nodige ondernemersrisico met zich mee. Vergaande samenwerking met Natuurmonumenten stond nog in de kinderschoenen en de hoogte van het beheergeld was geen gelopen race. ‘Wij moesten stevig onderhandelen. Als er toen een andere wind was gaan waaien vanuit Den Haag of Brussel, had het zomaar anders kunnen lopen.’
Toch durfde het stel deze sprong te wagen. Mariët: ‘Uit onderzoek bleek dat de biodiversiteit hard achteruit holde. Dat gaf het Rijk een impuls om zoekgebieden in kaart te brengen voor Natura 2000: het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden. De plannen voor Waalenburg zoemden al rond, dus wij zaten in een vroeg stadium om tafel. Dat was nog best spannend, want er moet genoeg vertrouwen zijn. Natuurmonumenten wil de zekerheid dat een boer zijn bedrijf volledig toespitst op natuurbeheer. Omgekeerd heb je als ondernemer een realistische vergoeding nodig. Er moet een verdienmodel aan ten grondslag liggen, anders kun je deze stap niet maken. In agrarische kringen werden beheergelden vaak als subsidie bestempeld, maar dat vind ik flauwekul. Wij produceren natuur – en daar hebben we óók een volle werkweek aan.’ Waar Dirk en Mariët startten met veertig hectare, beheren zij nu ruim honderddertig hectare in Waalenburg. De overeenkomst met Natuurmonumenten geldt minimaal voor zesentwintig jaar. ‘Ja, we krijgen financiële zekerheid, maar daar hangt ook een prijskaartje aan. Er staat tot op de laatste grasspriet wat er moet gebeuren, van afspraken over de maaiperiode tot monitoring van de vogelstand.’
Een andere opbrengst
Het is duidelijk: op Plassendaal heeft de natuur het hoogste woord. Dat vraagt een andere manier van werken, legt Dirk uit. ‘Het gras wordt pas gemaaid vanaf juli, zodat weidevogels in alle rust kunnen broeden. Voor een reguliere boer is het ondenkbaar: de kwaliteit van het gras is dan lager en de grond meer verschraald. Wij kijken echter naar ándere opbrengsten. Ik word blij als ik goudknopjes, rode ogentroost of wilde orchideeën zie opkomen, in plaats van te denken: Wat staat dat gras er lekker op.’ Mariët vult aan: ‘Het aantal koeien is afgestemd op wat het land aankan, niet andersom. We hebben bewust gekozen voor het Limousin-ras. Het zijn half wilde dieren met een specifiek kuddegedrag. Zij gaan goed op het schrale land met minder eiwitten. Zou je ze op een normaal weiland zetten, dan raken ze van slag. Wij laten de kalfjes bewust bij de moeder lopen en grijpen weinig in. Deze dieren zijn sterk van nature; de keren dat wij een veearts nodig hebben, kun je op één hand tellen. In de wintermaanden gaan onze koeien de potstal in. De ruige mest is puur goud en precies wat Waalenburg nodig heeft.’
Het ging met vallen en opstaan, maar Dirk heeft het natuurbeheer in de vingers. ‘Ik heb ooit een agrarische opleiding gedaan. De grap is: ik heb alles weer af moeten leren, want die kennis staat haaks op alles wat we hier doen. Natuurbeheer vraagt om goed kijken, voorzichtig bijsturen en een flinke dosis geduld. De natuur lost het vaak gewoon zelf op.’ De omschakeling van landbouwgrond naar natuurgebied was best een puzzel, geeft Dirk toe. ‘In het begin steken zuring en distels de kop op: het ziet er niet uit. Vervolgens komt de ratelaar, een halfparasiet, die de groei van gras afremt. Dat zorgt voor verschraling en ruimte aan pareltjes als wilde orchideeën. Alle zaden zaten hier nog in de grond; je moet ze alleen een kans geven. Als natuurbeheerder schep je gunstige voorwaarden op een perceel. Wat distels maaien als het nodig is, of op het juiste moment ruige mest uitstrooien. Niet te vroeg, want dan ben je de grond aan het verrijken. Ik houd van dat natuurlijke proces: het is altijd een verrassing wat er opkomt.’
Papieren boer
Dirk kent het areaal in Waalenburg op zijn duimpje en weet precies wat er speelt, zegt Mariët. ‘Hij is de man van het land en ik noem mezelf een ‘papieren boer’. Ik verzorg de administratie en ik kan je vertellen: dat is een hele klus. Wij moeten ontzettend veel rapporteren. Dirk kan nog weleens wegdromen bij een mooie koekoeksbloem, maar ik heb gewoon data nodig. Waar heb je deze soorten gespot? Op welke dag is er gegreppeld en hoeveel koeien liepen er op een bepaald perceel?’ Ze kijkt haar man plagend aan: ‘Ik heb alles met hem geprobeerd. Dan stopte ik notitieboekjes in zijn overall of ik vroeg hem zijn bevindingen in te spreken op de mobiele telefoon. Kansloos natuurlijk, voor iemand die alles in zijn hoofd opslaat. Daarom praat Dirk mij dagelijks bij tijdens de koffie, zodat ik alles nauwkeurig kan bijhouden.’ Dirk lacht: ‘Maar ik maak er wel mooie foto’s van, toch?’ Ondanks dat ze de regels strikt moeten volgen, voelt het echtpaar genoeg vrijheid. ‘We mogen zelf onze plannen en keuzes maken. Willen we een perceel omzetten van weidevogel- naar botanisch beheer, dan is dat bespreekbaar, zolang we onze doelen maar halen.’
Na de roerige beginperiode rond natuurgebied Waalenburg, lijkt de rust wedergekeerd. De resultaten tekenen zich af: bedreigde planten en dieren krijgen de ruimte, het aantal weidevogels zit in de lift en nergens leeft zo’n grote kolonie veldleeuweriken. ‘Biologen die hier rondlopen zijn bijna in extase van de soortenrijkdom. Het is een Ot & Sien-landschap, waar veel Nederlanders naar verlangen.’ De groep die sceptisch is, krijg je toch niet ‘om’, meent Mariët. ‘Zij vinden: Met landbouwgrond was het hier toch ook groen? Dan zeg ik op mijn beurt: Kwam dat door het raaigras of kruidenrijk landschap? Het is maar net wat je wílt zien.’ Hoewel het stel een duidelijke missie heeft, blijven ze nuchter. ‘We zijn geen hardcore hervormers. Het is belangrijk dat er een gezonde boerenpopulatie blijft op Texel. We zitten echt niet op ons eigen eiland, we werken graag samen met andere boeren. Achter de Ruigedijk ligt de boerderij van De Lugt. Het overschot van onze ruige mest gaat daarheen; zij leveren op hun beurt stro aan Plassendaal.’ Welke keuzes je ook maakt, iedereen legt zijn ziel en zaligheid in het bedrijf. Dat ervaarde Mariët zeker tijdens haar periode in het LTO-bestuur. ‘De hele landbouwsector staat onder druk en het is lastig om er een goed inkomen uit te halen, ook als je een groter productiebedrijf hebt. Bijna elke boer zoekt een stabielere stroom aan inkomsten.’
Eigen regie
Op Plassendaal kwam deze bedrijfsverbreding – hoe kan het ook anders – heel natuurlijk op het pad. In 2006 draaide Mark van Vliet een paar dagen mee op de boerderij, op verzoek van zijn ouders. De rustige omgeving en het werken met dieren deden deze jongen met een verstandelijke beperking veel goed. Het betekende de opmaat voor een certificering als zelfstandige zorgboerderij. Waar Dirk vroeger met de gedachte speelde om bij Noorderhaven te werken, heeft Mariët een broer met het syndroom van Down en de nodige ervaring als logopedist in het speciaal onderwijs. ‘Het komt dus niet helemaal uit de lucht vallen. We wilden echter niet onder de vleugels van een grote zorgkoepel opereren, daar zijn we te ondernemend voor. Ik word al allergisch als iemand mij voorschrijft hoe ik iets moet doen’, lacht Mariët.
Het streven naar eigen regie vormt ook de basis binnen het zorgbedrijf. Iedereen mag zelfstandig taken oppakken en zijn talent ontdekken. Dirk en Mariët vormen een veilig vangnet en geven soms een zetje in de rug. Hun collega’s – ‘We noemen ze geen cliënten’ – zien de schoonheid in kleine dingen en ze zijn hartverwarmend enthousiast over elkaars prestaties. In een tijd waarin partijen soms lijnrecht tegenover elkaar staan, kun je jezelf afvragen: Wie heeft er hier een beperking? Het echtpaar gelooft in de kracht van hun team. ‘Een mens met een beperking is ook een individu, met een eigen mening en ideeën. We nemen dat serieus en geven iedereen inspraak. Onze knalroze maaier is zo’n gevalletje ‘meeste stemmen gelden’, knipoogt Dirk. ‘Daar moet deze boer zich dus mee vertonen op het land.’
Grenzen verleggen
De praktische aanpak slaat aan bij het team. ‘Op Plassendaal bieden we geen gekunsteld werk. Je hebt een verantwoordelijkheid, want dieren rekenen op jou en de tuin vraagt om onderhoud. Heb je samen de schouders eronder gezet, dan kun je ook trots zijn op je werk, aldus Mariët. ‘Waar de één staat te buffelen met een schop in de hand, duikt een ander het liefst de stallen in. We hebben nu een paar lammetjes rondlopen. Als ik de meiden kwijt ben, dan staan ze in het hok met een flesje. Ze nemen hun taken ontzettend serieus. Wat wij minstens zo belangrijk vinden, is persoonlijke ontwikkeling. Tijdens het werk leer je je grenzen kennen, maar durf je ook meer? Wat als een collega kribbig reageert, of er staan plotseling toeristen in de pluktuin? Dit zijn leerzame situaties, waarin onze mensen ook sociaal groeien.’
In hun dagelijkse aansturing genieten Dirk en Mariët van de onderlinge betrokkenheid. Een compliment of de complete adoratie als iemand iets nieuws presteert. ‘De warmte die daarvan uitgaat, is echt ontwapenend’, vindt Mariët. ‘Er wordt op elkaar gelet, in de positieve zin van het woord. Pas had ik met mijn drollige hoofd uit de tuinslang gedronken, waardoor ik hartstikke ziek werd. Als ik nu over het erf loop, hoor ik continu: Opletten Mariët, niet drinken, hoor.
Hoewel de drukte veel van hen vraagt, zouden ze nooit met anderen willen ruilen. ‘Het is onze manier van leven. De natuur, het persoonlijke contact en alle voldoening die we hieruit halen: het klopt gewoon.’





